Kloosterzuster Godfrieda: ‘Uw man heeft me toestemming gegeven u kapot te maken. En dat zal ik doen ook!’ (2)

Op 8 augustus 1977 overwint leerling verpleegster Wivina Lison haar angst en stapt naar dezelfde bestuursvoorzitter. Vier dagen later gaat ze, samen met de collega’s Luciënne Rasschaert en Anna van den Boogaard, weer naar hem toe (foto reconstructie: Richard Helwig).

Laatste update 18-03-2019 – Ontspannen genieten van je oude dag in een rusthuis is er soms niet bij. Een spraakmakende zaak is die van kloosterzuster Godfrieda uit het jaar 1977. In het Belgische plaatsje Wetteren, gelegen op iets meer dan tien kilometer ten oosten van Gent, is het klooster van de Apostolinen van de Heilige Jozef gevestigd. Ernaast bevinden zich een paar klinieken en een klein rusthuis voor bejaarden. Het geheel heet het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW). Hier vonden verschillende bewoners een opvallende dood. Richard Helwig reisde af naar deze locatie en ging op onderzoek uit. Dit is het tweede en tevens laatste deel.

Eén verpleegster wordt de hele situatie teveel. Het is Luciënne Rasschaert die de moedige beslissing neemt om naar bestuursvoorzitter Romain Verschooris te stappen. Ze doet haar beklag over wat er gaande is. Hoe ze ook haar best doet om iets aan de slepende toestanden te veranderen: het wordt een grote teleurstelling. De voorzitter reageert furieus op alle beschuldigingen. Hij bestempelt de klaagster als ‘een zot wijf’, adviseert haar vooral de mond te houden en dreigt met ontslag. Ze druipt af. Zuster Godfrieda gaat ondertussen op de oude voet door met waar ze mee bezig is. Op 8 augustus 1977 overwint leerling verpleegster Wivina Lison haar angst en stapt naar dezelfde bestuursvoorzitter. Vier dagen later gaat ze, samen met de collega’s Luciënne Rasschaert en Anna van den Boogaard, weer naar hem toe. Opnieuw wordt verteld dat Zuster Godfrieda de bewoners van het rusthuis om het leven brengt. Een directe actie is volgens hen dringend nodig. De voorzitter lijkt nu wat ontvankelijker en belooft er ‘wat’ aan te doen. Dat blijft echter bij een loze belofte. Er gebeurt niets. Twee dagen later dient zich wederom een overlijdensgeval aan. Het betreft de 79-jarige inwoonster Irma de Backer die, na een paar nachten slecht geslapen te hebben, op 14 augustus 1977 na het middagmaal een injectie krijgt toegediend door Zuster Godfrieda. Nauwelijks vier uur later is ze dood. Het is sinds januari de tiende persoon die overlijdt. De bestuursvoorzitter speelt door zijn handelen een beslissende rol. Hij zorgt er immers voor dat de moordende kloosterzuster door kan gaan met haar praktijken.

Spreekverbod

Op 15 augustus 1977 verschijnt Zuster Godfrieda niet meer in het rusthuis. Kort erna wordt ze opgenomen in een ziekenhuis in Gent. Vanuit daar verhuist ze naar een instituut in Warinchem en ondergaat hier een ontwenningskuur. Het bestuur van het rusthuis doet er alles aan om de kwestie verborgen te houden. Men vindt het afschuwelijk en onverdiend als de kloostergemeenschap van de Apostolinen van de Heilige Jozef door deze overlijdensgevallen in opspraak zou komen. Het personeel van het rusthuis krijgt een spreekverbod opgelegd. Want in deze kleine gemeenschap heeft de leiding het voor het zeggen. Praten betekent onmiddellijk ontslag. Met het nemen van deze drastische maatregel lijkt de rust terug te keren. Dat is van korte duur. Omstreeks kerstmis van datzelfde jaar ontstaat er onder de verpleegsters opnieuw grote beroering. Er ligt een kerstkaart op de deurmat waarop geschreven staat: ‘Tot binnenkort’. Het is afkomstig van Zuster Godfrieda die voornemens is terug te keren. Inderdaad verschijnt de kloosterzuster begin januari 1978 weer in het rusthuis. Volgens haar is ze hersteld en wil ze weer snel aan het werk. De verpleegsters zijn in alle staten. Hoe is dit mogelijk? Alle vervelende herinneringen liggen bij een ieder vers in het geheugen waarbij Zuster Godfrieda zich zelfs seksueel aan sommigen van hen had opgedrongen. Ze vragen nieuwe sloten op hun kamerdeuren en die wens wordt ingewilligd. Het spreekverbod blijft onverminderd van kracht.

 ‘Het bestuur distantieerde zich van mij en ik kreeg zelfs te horen dat ik een aanklacht wegens smaad riskeerde’

Een verklaring afgelegd

Die gang van zaken wordt verpleegster Luciënne Rasschaert teveel. Ze stapt naar dokter Jean-Paul de Corte, die lid is van het bestuur van het rusthuis. In de hoop dat hij haar gelooft en wat gaat doen. Hij zegt in een later stadium: ‘Natuurlijk had ik wel eens een paar geruchten over Zuster Godfrieda gehoord. Ik had daar nooit serieus aandacht aan geschonken. Tot op 31 januari 1978 mevrouw Rasschaert bij me kwam. Die vertelde me uitvoerig dat zij en haar medeverpleegsters Zuster Godfrieda verdachten van moord, diefstal van blanco receptbriefjes en valsheid in geschrifte. Ik heb vrijwel onmiddellijk een verklaring afgelegd in het bestuur van het rusthuis.’ Wat er toen gebeurde? De dokter: ‘Het bleek dat ik bij de duivel te biechten was. Het bestuur distantieerde zich van mij en ik kreeg zelfs te horen dat ik een aanklacht wegens smaad riskeerde.’

Twintigtal opgravingen

Begin februari 1978 wordt Zuster Godfrieda gearresteerd. Aanvankelijk is dat voor diefstal van blanco receptbriefjes en valsheid in geschrifte. Een paar dagen later bekent ze min of meer onverschillig aan gerechtelijk commissaris Boxtaele de moord op Maria van der Ginst (87) op 24 juli 1977. Vervolgens verklaart zij Leon Matthijs (81) vijf dagen later de dodelijke dosis insuline ingespoten te hebben. En geeft zij de moord toe op Irma de Backer (79) op 14 augustus 1977. Haar letterlijke opvatting: ‘Het kan me niet schelen wat ze met me doen en hoeveel straf ik krijg. Ik ben alleen maar blij dat ik weg ben uit dat kloosterkot.’ De justitie stelt een onderzoek in naar het motief van de moorden. In deze zaak volgen een twintigtal opgravingen. Op de drie lijken van de bejaarden wordt sectie verricht door de professoren Thomas en Timperman van de Universiteit Gent en door de gerechtelijke arts Lauwaert. Het is voor het eerst in de geschiedenis van de gerechtelijke geneeskunde dat sporen van insuline worden teruggevonden, flinke tijd na het overlijden van de slachtoffers.

Bescherming van de religieuze congregatie

Er zijn drie mogelijkheden. De verdachte kan krankzinnig zijn. Een tweede mogelijkheid is dat ze het gemunt heeft op de bezittingen van de slachtoffers. Alle overledenen waren zonder bloedverwanten en hadden geld en sieraden. Een laatste mogelijkheid is dat de verzorging van de bejaarden haar boven het hoofd kan zijn gegroeid. Het kan zelfs een combinatie van mogelijkheden zijn. De meest cruciale vragen zijn: hoe heeft het in het kleine rusthuis in Wetteren zover kunnen komen? Waarom heeft de bestuursvoorzitter niet meteen afdoende maatregelen getroffen? Waarom werd de hele zaak zo zorgvuldig onder de dekmantel gehouden? In het verweer wordt ‘onwetendheid’ aangevoerd. En ‘bescherming van de religieuze congregatie waartoe Zuster Godfrieda behoorde’. Maar is dat wel terecht? Ligt de schuld alleen bij deze kloosterzuster? Of is er meer aan de hand? Zij heeft herhaaldelijk verzocht van haar taak in het rusthuis te worden ontheven. Dit verzoek werd door de oversten niet ingewilligd. En dus ging ze haar gang. Er stierven onschuldige bejaarden en de overlijdensattesten werden ingevuld zonder dat de artsen naar de juiste doodsoorzaken keken.

Psychopatenasiel

De afloop van de hele zaak volgt op 7 oktober 1980. De raadkamer van Dendermonde ontslaat de inmiddels 46-jarige Cecile B. van rechtsvervolging en stelt haar ter beschikking van de regering. Ze wordt volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard. Op basis van het rapport van twee psychiaters, een psycholoog en een neurochirurg vindt opsluiting plaats in een psychopatenasiel. De moreel verantwoordelijken die beoordelingsfouten maakten en die te laat ingrepen, worden niet vervolgd. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) is herhaaldelijk door mij om een interview gevraagd. Deze instantie heeft telefonisch aangegeven niet te kunnen en te willen reageren. Navraag bij justitie leert dat het uitgesproken vonnis, waarin staat waarom Cecile B. niet strafrechtelijk werd vervolgd, op onverklaarbare wijze nergens meer in de archieven is te vinden. Op de vraag waarom het bestuur van het OCMW vrijuit ging, blijft het antwoord een mysterie. Achter het klooster van de Apostolinen van de Heilige Jozef ligt een begraafplaats waar de zusters hun laatste rustplaats hebben gevonden. Zuster Godfrieda ligt er niet. Na enig onderzoek blijkt zij ten tijde van mijn bezoek aan Wetteren nog in leven te zijn. Opvallend genoeg verblijft zij nu zelf in een rusthuis.

Benieuwd naar het eerste deel van dit artikel? Bekijk deze hier.