Kloosterzuster Godfrieda: ‘Uw man heeft me toestemming gegeven u kapot te maken. En dat zal ik doen ook!’

Het klooster van de Apostolinen van de Heilige Jozef. Kloosterzuster Godfrieda voert de leiding over het rusthuis. Zij komt in opspraak als blijkt dat ze bejaarde bewoners op slinkse wijze ‘euthanaseert’ zonder dat daar enige medische aanleiding toe bestaat (foto: Richard Helwig).

Laatste update 21-09-2018 – Ontspannen genieten van je oude dag in een rusthuis is er soms niet bij. Een spraakmakende zaak is die van kloosterzuster Godfrieda uit het jaar 1977. In het Belgische plaatsje Wetteren, gelegen op iets meer dan tien kilometer ten oosten van Gent, is het klooster van de Apostolinen van de Heilige Jozef gevestigd. Ernaast bevinden zich een paar klinieken en een klein rusthuis voor bejaarden. Het geheel heet het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW). Hier vonden verschillende bewoners een opvallende dood. Richard Helwig reisde af naar deze locatie en ging op onderzoek uit.

Het feitenrelaas heeft alles te maken met het onderwerp insuline. Dit hormoon zorgt ervoor dat bloedsuiker als energie kan worden opgenomen door alle cellen in het lichaam. Door misbruik kunnen er levensgevaarlijke situaties ontstaan, namelijk wanneer het wordt toegepast als dodelijk injectiemiddel. De keuze van dit onderwerp is niet de meest eenvoudige. Het maakt het noodzakelijk dat ik voorafgaand aan mijn trip naar België de nodige feiten verzamel. Feiten die op waarheid berusten. Daarbij ben ik alleen geïnteresseerd in serieuze en betrouwbare bronnen. Kort samengevat: kloosterzuster Godfrieda voert de leiding over het rusthuis. Zij komt in opspraak als blijkt dat ze bejaarde bewoners op slinkse wijze ‘euthanaseert’ zonder dat daar enige medische aanleiding toe bestaat. Naar latere schatting van haar verpleegsters doet zij dat zo’n dertig keer, maar dat kan niet meer worden bewezen.

Poolshoogte nemen

Vervolgens zoek ik contact met de gemeente Wetteren. Is er misschien nog iets bewaard gebleven over de zaak Zuster Godfrieda? En wil ik via de plaatselijke bibliotheek achterhalen of er meer is dan ik nu al weet. Ik laat de krant die destijds in dit gebied verscheen en nu nog iedere dag op menige deurmat ploft, in het archief zoeken. En probeer ik bij justitie enige informatie boven tafel te krijgen. Toepasselijk genoeg, verblijf ik in een voormalig klooster in Gent en dat nu een hotel is, op één van de kamers waar vroeger kloosterzusters sliepen. Let wel, deze accommodatie heeft met de zaak niets te maken. Ik oriënteer mij op de locaties uit die tijd. En ik ga ter plekke in het Belgische plaatsje Wetteren poolshoogte nemen. Probleem is dat het rusthuis inmiddels blijkt te zijn gesloopt. Ik zal het dus zonder moeten doen. Het klooster bestaat nog wel. Als ik een kloosterzuster op het terrein zie lopen en haar vriendelijk uitleg dat ik met een artikel over de zaak bezig ben, weigert ze ieder commentaar. Om haar snel achter een deur te zien verdwijnen. Een paar minuten later zie ik de plaatselijke overste met ferme stappen op mij afkomen. Zichtbaar boos en zwaaiend met een mobiele telefoon in haar hand, dreigt ze de politie te bellen omdat ik mij op privéterrein zou hebben begeven. Ondanks dat ik nergens een bordje hierover heb gezien, word ik gesommeerd weg te gaan. Een gesprekje aanknopen wordt me onmogelijk gemaakt. Op het moment dat ik de weg langs het klooster afloop en mij nog een keertje omdraai, zie ik haar mij langdurig nakijken. Helder is dat de zaak na al die jaren nog steeds zeer gevoelig ligt. Op enige medewerking hoef ik niet te rekenen.

Eenvoudige boerenafkomst

Zuster Godfrieda, van wie haar werkelijke naam Cecile B. is, wordt in 1933 geboren en heeft twee zusjes. Haar ouders zijn van eenvoudige boerenafkomst en komen uit Wichelen. Haar jeugd verloopt niet optimaal. Een zusje overlijdt op jonge leeftijd en haar andere zus wordt depressief nadat ze een slecht verlopen huwelijk achter de rug heeft. Haar ouders vestigen alle hoop op Cecile. Zij willen dat hun dochter wel goed terecht komt. Zij zijn diep godsdienstig en zien hun dochter graag als religieuze in de familie. Min of meer wordt er van haar verwacht dat ze voor die richting kiest. Op 25-jarige leeftijd begint Cecile haar loopbaan als Apostolin van de Heilige Jozef. Na eerst werkzaam te zijn geweest als vroedvrouw, gaat ze in 1967 aan de slag als verpleegster op de geriatrische afdeling van een klein rusthuis in Wetteren. Uiteindelijk wordt ze daar als hoofdverpleegkundige aangesteld.

Onuitstaanbaar en onberekenbaar

Op het moment dat Cecile een aantal jaren als hoofdverpleegkundige in het rusthuis werkt, krijgt ze hevige hoofdpijnen. Ze gaat naar een dokter en die vindt het noodzakelijk dat ze nader wordt onderzocht. Er wordt een hersentumor geconstateerd. Een operatie is onafwendbaar. In haar schedel wordt een zilveren plaat ingebracht. Om de pijn te bestrijden, krijgt ze verdovende middelen voorgeschreven die hoofdzakelijk bestaan uit opium en morfine derivaten. Het is dan 1975. De medische ingreep maakt de situatie er niet beter op. Vanaf dat moment gaat het helemaal mis met Zuster Godfrieda. Haar persoonlijkheid verandert. Er ontstaat een totaal ander mens. Ze raakt verslaafd aan de voorgeschreven middelen en zakt steeds verder weg in deze gewoonte. Gevolg is dat haar humeur hier zwaar onder te leiden heeft. Dat neemt dusdanig ernstige vormen aan dat ze onuitstaanbaar en onberekenbaar wordt voor haar verpleegsters. Ze snauwt hen af en soms uit ze zware bedreigingen. Zoals die ene keer waarop ze tijdens de nachtdienst tegen één van haar verpleegsters zegt: ‘Uw man heeft me toestemming gegeven u kapot te maken. En dat zal ik doen ook!’ Zuster Godfrieda zwaait tijdens deze bedreiging met een mes. De verpleegster is daardoor zo bang, dat ze vlucht en zich enkele uren onder een kast verstopt. Regelmatig zien de verpleegsters Zuster Godfrieda door de gang zwalken alsof ze dronken is. Hoewel dat laatste zeker gebeurde, was haar vreemde gedrag meestal te wijten aan het gebruik van verdovende middelen.

De nodige seksboetieks

Zuster Godfrieda woont op kamers boven de ziekenafdeling van het rusthuis. Daar woont ook Zuster Mathieu. Met haar leidt ze een beduidend ander leven dan in haar werk het geval is. Beiden kunnen het goed met elkaar vinden en krijgen een relatie. Ze nemen het er goed van. Ze koken graag, eten in luxueuze restaurants, kopen dure kleding en maken regelmatig uitstapjes. Zoals naar Sluis in Zeeuws Vlaanderen waar bezoeken aan de nodige seksboetieks niet worden vermeden. Geld speelt geen enkele rol. Want naar later blijkt: Zuster Godfrieda besteelt de bewoners die ze kort daarvoor heeft omgebracht. Zo ontvreemdt ze honderdduizend frank aan juwelen. En verdwijnt de opbrengst van een door een bewoner verkocht huis in haar eigen zak. In de eerste helft van het jaar 1977 neemt het sterftecijfer in het rusthuis plotseling onrustbarend toe. Bewoners die niet ziek zijn, overlijden op onverklaarbare wijze. Het begint de verpleegsters op te vallen dat Zuster Godfrieda hier best wel eens iets mee te maken zou kunnen hebben. Vreemd is namelijk dat deze kloosterzuster telkens bij verdachte overlijdensgevallen betrokken is.

Achter gesloten deuren

Pas later blijkt waarom. Een aantal bewoners krijgt een dodelijke injectie van haar, anderen laat ze stikken. Dat laatste doet ze door haar slachtoffers te laten drinken om hen daarna stevig op de borst te drukken. De verdenking dat Zuster Godfrieda haar bewoners om het leven brengt, blijft voorlopig binnen de muren van het rusthuis. De verpleegsters maken zich grote zorgen. Ze zijn bang en zwijgen daardoor in alle talen. Onderling praten ze er voorzichtig over. Niemand durft enige actie te ondernemen door naar het bestuur van het rusthuis te stappen. De verdachte overlijdensgevallen blijven ondertussen onverminderd toenemen. Een en ander verloopt steeds volgens een vast patroon. Ze vinden achter gesloten deuren op de kamers van de bewoners plaats, het gebeurt stiekem en alleen Zuster Godfrieda is er bij. Zo overlijdt op 24 juli 1977 de 87-jarige Maria van der Ginst. In de middag had ze gegeten, kort daarna dient Zuster Godfrieda haar een injectie toe en aan het begin van de avond is ze dood. Vijf dagen later is het de beurt aan de 81-jarige Leon Matthijs die na het ontbijt klaagt over zijn spijsvertering. De kloosterzuster sluipt naar zijn kamer en geeft hem in alle stilte een injectie. De man overlijdt omstreeks het middaguur.

Grote teleurstelling

Eén verpleegster wordt alles teveel. Het is Luciënne Rasschaert die de moedige beslissing neemt om naar bestuursvoorzitter Romain Verschooris te stappen. Ze doet haar beklag over wat er gaande is. Hoe ze ook haar best doet om iets aan de slepende toestanden te veranderen: het wordt een grote teleurstelling. De voorzitter reageert furieus op alle beschuldigingen. Hij bestempelt de klaagster als ‘een zot wijf’, adviseert haar vooral de mond te houden en dreigt met ontslag. Ze druipt af. Zuster Godfrieda gaat ondertussen op de oude voet door met waar ze mee bezig is. Op 8 augustus 1977 overwint leerling verpleegster Wivina Lison haar angst en stapt naar dezelfde bestuursvoorzitter. Vier dagen later gaat ze, samen met de collega’s Luciënne Rasschaert en Anna van den Boogaard, weer naar hem toe. Opnieuw wordt verteld dat Zuster Godfrieda de bewoners van het rusthuis om het leven brengt. Een directe actie is volgens hen dringend nodig. De voorzitter lijkt nu wat ontvankelijker en belooft er ‘wat’ aan te doen. Dat blijft echter bij een loze belofte. Er gebeurt niets. Twee dagen later dient zich wederom een overlijdensgeval aan. Het betreft de 79-jarige inwoonster Irma de Backer die, na een paar nachten slecht geslapen te hebben, op 14 augustus 1977 na het middagmaal een injectie krijgt toegediend door Zuster Godfrieda. Nauwelijks vier uur later is ze dood. Het is sinds januari de tiende persoon die overlijdt. De bestuursvoorzitter speelt door zijn handelen een beslissende rol. Hij zorgt er immers voor dat de moordende kloosterzuster door kan gaan met haar praktijken.

Spreekverbod

Op 15 augustus 1977 verschijnt Zuster Godfrieda niet meer in het rusthuis. Kort erna wordt ze opgenomen in een ziekenhuis in Gent. Vanuit daar verhuist ze naar een instituut in Warinchem en ondergaat hier een ontwenningskuur. Het bestuur van het rusthuis doet er alles aan om de kwestie verborgen te houden. Men vindt het afschuwelijk en onverdiend als de kloostergemeenschap van de Apostolinen van de Heilige Jozef door deze overlijdensgevallen in opspraak zou komen. Het personeel van het rusthuis krijgt een spreekverbod opgelegd. Want in deze kleine gemeenschap heeft de leiding het voor het zeggen. Praten betekent onmiddellijk ontslag. Met het nemen van deze drastische maatregel lijkt de rust terug te keren. Dat is van korte duur. Omstreeks kerstmis van datzelfde jaar ontstaat er onder de verpleegsters opnieuw grote beroering. Er ligt een kerstkaart op de deurmat waarop geschreven staat: ‘Tot binnenkort’. Het is afkomstig van Zuster Godfrieda die voornemens is terug te keren. Inderdaad verschijnt de kloosterzuster begin januari 1978 weer in het rusthuis. Volgens haar is ze hersteld en wil ze weer snel aan het werk. De verpleegsters zijn in alle staten. Hoe is dit mogelijk? Alle vervelende herinneringen liggen bij een ieder vers in het geheugen waarbij Zuster Godfrieda zich zelfs seksueel aan sommigen van hen had opgedrongen. Ze vragen nieuwe sloten op hun kamerdeuren en die wens wordt ingewilligd. Het spreekverbod blijft onverminderd van kracht.

Aanklacht wegens smaad

Die gang van zaken wordt verpleegster Luciënne Rasschaert teveel. Ze stapt naar dokter Jean-Paul de Corte, die lid is van het bestuur van het rusthuis. In de hoop dat hij haar gelooft en wat gaat doen. Hij zegt in een later stadium: ‘Natuurlijk had ik wel eens een paar geruchten over Zuster Godfrieda gehoord. Ik had daar nooit serieus aandacht aan geschonken. Tot op 31 januari 1978 mevrouw Rasschaert bij me kwam. Die vertelde me uitvoerig dat zij en haar medeverpleegsters Zuster Godfrieda verdachten van moord, diefstal van blanco receptbriefjes en valsheid in geschrifte. Ik heb vrijwel onmiddellijk een verklaring afgelegd in het bestuur van het rusthuis.’ Wat er toen gebeurde? De dokter: ‘Het bleek dat ik bij de duivel te biechten was. Het bestuur distantieerde zich van mij en ik kreeg zelfs te horen dat ik een aanklacht wegens smaad riskeerde.’

‘Het kan me niet schelen wat ze met me doen en hoeveel straf ik krijg. Ik ben alleen maar blij dat ik weg ben uit dat kloosterkot.’

Twintigtal opgravingen

Begin februari 1978 wordt Zuster Godfrieda gearresteerd. Aanvankelijk is dat voor diefstal van blanco receptbriefjes en valsheid in geschrifte. Een paar dagen later bekent ze min of meer onverschillig aan gerechtelijk commissaris Boxtaele de moord op Maria van der Ginst (87) op 24 juli 1977. Vervolgens verklaart zij Leon Matthijs (81) vijf dagen later de dodelijke dosis insuline ingespoten te hebben. En geeft zij de moord toe op Irma de Backer (79) op 14 augustus 1977. Haar letterlijke opvatting: ‘Het kan me niet schelen wat ze met me doen en hoeveel straf ik krijg. Ik ben alleen maar blij dat ik weg ben uit dat kloosterkot.’ De justitie stelt een onderzoek in naar het motief van de moorden. In deze zaak volgen een twintigtal opgravingen. Op de drie lijken van de bejaarden wordt sectie verricht door de professoren Thomas en Timperman van de Universiteit Gent en door de gerechtelijke arts Lauwaert. Het is voor het eerst in de geschiedenis van de gerechtelijke geneeskunde dat sporen van insuline worden teruggevonden, flinke tijd na het overlijden van de slachtoffers.

Bescherming van de religieuze congregatie

Er zijn drie mogelijkheden. De verdachte kan krankzinnig zijn. Een tweede mogelijkheid is dat ze het gemunt heeft op de bezittingen van de slachtoffers. Alle overledenen waren zonder bloedverwanten en hadden geld en sieraden. Een laatste mogelijkheid is dat de verzorging van de bejaarden haar boven het hoofd kan zijn gegroeid. Het kan zelfs een combinatie van mogelijkheden zijn. De meest cruciale vragen zijn: hoe heeft het in het kleine rusthuis in Wetteren zover kunnen komen? Waarom heeft de bestuursvoorzitter niet meteen afdoende maatregelen getroffen? Waarom werd de hele zaak zo zorgvuldig onder de dekmantel gehouden? In het verweer wordt ‘onwetendheid’ aangevoerd. En ‘bescherming van de religieuze congregatie waartoe Zuster Godfrieda behoorde’. Maar is dat wel terecht? Ligt de schuld alleen bij deze kloosterzuster? Of is er meer aan de hand? Zij heeft herhaaldelijk verzocht van haar taak in het rusthuis te worden ontheven. Haar verzoek werd door haar oversten niet ingewilligd. En dus ging ze haar gang. Er stierven onschuldige bejaarden en de overlijdensattesten werden ingevuld zonder dat de artsen naar de juiste doodsoorzaken keken.

Psychopatenasiel

De afloop van de hele zaak volgt op 7 oktober 1980. De raadkamer van Dendermonde ontslaat de inmiddels 46-jarige Cecile B. van rechtsvervolging en stelt haar ter beschikking van de regering. Ze wordt volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard. Op basis van het rapport van twee psychiaters, een psycholoog en een neurochirurg vindt opsluiting plaats in een psychopatenasiel. De moreel verantwoordelijken die beoordelingsfouten maakten en die te laat ingrepen, worden niet vervolgd. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) is herhaaldelijk door mij om een interview gevraagd. Deze instantie heeft telefonisch aangegeven niet te kunnen en te willen reageren. Navraag bij justitie leert dat het hier uitgesproken vonnis, waarin staat waarom Cecile B. niet strafrechtelijk werd vervolgd, op onverklaarbare wijze nergens meer in de archieven is te vinden. Op de vraag waarom het bestuur van het OCMW vrijuit ging, blijft het antwoord een mysterie.